[Recensie] Geschiedenisles in de zin en onzin van de natiestaat

Het spook van het nationalisme doet de EU davereren op haar grondvesten. Vincent Stuer, speechschrijver van Barroso, schreef de schrik van zich af in een geschiedenisles over de natiestaat, soevereiniteit, democratie en de Europese Unie.
[Recensie] Geschiedenisles in de zin en onzin van de na

De natie is een idee en dringt zich op. Ze wil haar veronderstelde gemeenschappelijke kenmerken doordrukken in de persoonlijke levenssfeer van iedereen. Wie geen Nederlands spreekt op de speelplaats, hoort er niet bij!

 

Kleinstaterij! Het kriebelt bij de Schotten, Catalanen, Vlamingen en andere naties. Het referendum van de Schotten maakt onafhankelijkheid weer tastbaar. Het spook van het nationalisme doet de Europese Unie (opnieuw) daveren op haar grondvesten. Vincent Stuer, speechschrijver van uittredend Europees Commissievoorzitter Barroso, schreef de schrik van zich af in een geschiedenisles over de natiestaat, soevereiniteit, democratie en de Europese Unie.

Eindelijk, dacht ik toen ik over Kleinstaterij! De terugkeer van de natie en de afkeer van Europa hoorde. Eindelijk een boek dat de immense energie-, tijd-  en geldverspilling van het streven naar onafhankelijkheid voor dubieuze natiestaten aantoont. Eindelijk een boek dat waarschuwt voor de gevaren van polarisering die elk nationalisme, hoe schijnbaar gematigd ook, in zich meedraagt. Eindelijk een pleidooi voor pragmatisme en solidariteit die ook, en misschien beter, zonder het samenvallen van natie en staat bereikt kunnen worden en al bereikt zijn. Vincent Stuer komt tot die conclusies, al moet je geduld oefenen.

Stuer gaat te werk als een klassieke historicus; hij heeft genoeg aan de complexe Europese geschiedenis van naties en staten om tot zijn argumentatie te komen. Maar net dat, bovenop de academische en elitaire schrijfstijl, komt het boek niet altijd ten goede. Zo heeft de auteur een lange omweg nodig langs de eenmaking van Italië, vaak geciteerd als natiestaat par excellence, om aan te tonen dat staten meestal het toevallige gevolg zijn van machtspolitiek en romanticisme van enkele ‘verlichte’ geesten. De inwoners van de ministaatjes die op het Italiaanse schiereiland wedijverden in de 19de eeuw hadden immers weinig gemeen, ze spraken zelfs het Italiaans niet.

Na het lange hoofdstuk over Italië, gaat Stuer iets meer to the point verder met een mars door de vaak absurde Europese natievorming met als surrealistisch orgelpunt Cyprus dat na heilloos schipperen tussen Turkije en Griekenland ongewild uiteenviel in twee staten. Die twee staten kregen aan het begin van deze eeuw dan toch uiteindelijk de kans om deel uit te maken van hun grote buren, maar in een referendum stemden ze tegen. Staten creëren soms naties, en naties staten, concludeert Stuer. Ze zijn een uiting van politieke wil, zelden een van een brede volksbeweging.

De interessantste conclusies zijn te vinden in de staart van het boek, in de hoofdstukken over identiteit, democratie en soevereiniteit. Hoe vaak ook geschermd wordt met gedeelde symbolen en de nood aan bevoegdheden, volgens Stuer en een aantal toonaangevende sociologische studies halen individuen hun identiteit niet uit abstracte nationale of statelijke begrippen maar uit hun directe omgeving. En daar schuilt het gevaar van het nationalisme. De natie is een idee en dringt zich op. Ze wil haar veronderstelde gemeenschappelijke kenmerken doordrukken in de persoonlijke levenssfeer van iedereen. Wie geen Nederlands spreekt op de speelplaats, hoort er niet bij! Er kleeft dus, gewild of ongewild, een vorm van exclusiviteit (de wij-zijtegenstelling) aan elke natie die wilt samenvallen met staatsgrenzen.

Een moderne democratie heeft geen nood aan nationalisme, aldus Stuer. Democratie is een opbouwende, pragmatische bestuursvorm die voldoende rechten en vrijheden geeft aan individuen en bevolkingsgroepen. De Belgische staat is een doorgeslagen voorbeeld, Vlaanderen heeft een onafhankelijkheid inzake cultuur, taal en onderwijs. Dat is voldoende om de ‘natie’ te beschermen. Maakt het dan uit dat Vlaanderen ook de werkloosheidsuitkering uitbetaalt, vraagt Stuer zich terecht af.

Tot slot heeft Vincent Stuer het over de talloze praktische drempels voor onafhankelijkheid waar de nationalisten het liever niet over hebben. Aan de hand van Kosovo toont hij aan hoe nieuwe ‘natiestaten’ in het vagevuur van niet-erkenning door de internationale gemeenschap blijven hangen en daar de tol voor betalen, om nog maar te zwijgen over schuldbemiddeling, muntproblemen en de torenhoge kosten die verbonden zijn aan een onafhankelijkheid in crisistijden. En natuurlijk heeft de auteur het over de Europese Unie, want would benatiestaten vergeten al eens dat toetreding tot de Unie niet zo evident is en dat een vermenigvuldiging van het aantal lidstaten de Unie praktisch onwerkbaar maakt.

Ondanks de vele overtuigende argumenten is Kleinstaterij! niet het boek dat afrekent met het nationalisme, daarvoor zijn de omzwervingen van Vincent Stuer te groot en zijn schrijfstijl te ontoegankelijk. Maar het is al bij al een leerrijke geschiedenistrip die het nationalisme minstens relativeert.