De stilte in het debat: over macht, antiverlichting en superdiversiteit

Met de eerste Zwarte Zondag start een twee decennia durend “migrantendebat”. Meer dan 20 jaar later lijkt, op enkele kleine opstootjes na, de stilte te overheersen in het inburgeringsdebat. Het debat overheerst de politieke agenda niet meer.
De stilte in het debat: over macht, antiverlichting en

De mensenrechten, de godsdienstvrijheid en de sociaaleconomische rechten incluis, worden vandaag meer en meer gezien als uitingen van onhaalbaar utopisch denken. Daarom moeten deze rechten in balans gebracht worden, gecorrigeerd worden met antiliberale dogma’s zoals de waarden en normen van het volk.

 

Met de eerste Zwarte Zondag start een twee decennia durend “migrantendebat”. De noemer waaronder dat debat werd gevoerd veranderde door de tijd. Wat start als een “vreemdelingendebat” werd later “het integratiedebat”, “het allochtonendebat”, “het islamdebat” of het “inburgeringsdebat” genoemd. Er werden zeer luide discussies gevoerd rond grote thema’s als racisme, integratie, assimilatie, diversiteit en culturele verschillen in het bijzonder. Discussies die steeds opnieuw goed waren voor een lawine aan mediaberichtgeving. Er werden zwaarbeladen “issues” op de politieke agenda geplaatst zoals het migrantenstemrecht, de strijd tegen racisme en uiteindelijk halalvlees, religieus slachten en de onderdrukking van de moslimvrouw.  Het debat dat het meeste stof deed oplaaien staat op naam van de hoofddoek. Meer dan 20 jaar later lijkt, op enkele kleine opstootjes na, de stilte te overheersen in het inburgeringsdebat. Het debat overheerst de politieke agenda niet meer.

DE STILTE IN HET DEBAT

De stilte is vaak oorverdovend. De enige partijen die zelf de discussie opstarten in het kader van de superdiverse samenleving, zitten aan de rechterzijde. Zowel het Vlaams Belang dat sinds kort helemaal terug is in haar oude Vlaams Blok-hoedanigheid als N-VA starten zelf discussies over diversiteit. Zij nemen hier steeds een heel consequente positie in: het huidige migratiebeleid is te laks, te links en heeft gefaald. En dus moet er als het van N-VA afhangt, ingezet worden op een structureel inburgeringsbeleid met straffen voor wie het niet volgt of niet slaagt. Dat men hiermee de democratische rechten voorwaardelijk maakt, lijkt niemand noch te deren. Het Vlaams Belang zweert dan al weer twee decennia bij het discours van aanpassen of opkrassen.

Het centrum van de politiek en de linkerzijde reageert als het moet. Letterlijk. Zij starten geen of bijna geen discussies over dergelijke thema’s. SP.a mag dan aan de rechterzijde wel gekend staan als de “allochtonenpartij”, in wezen is het lang zoeken naar bijvoorbeeld de eisenbundel van de partij inzake de bestrijding van racisme. De linkerzijde is geen trekker van het debat, maar reageert als ze daartoe gevraagd of verplicht worden door een gebeurtenis in de actualiteit. Als er heibel is in de wijk 2060 in Antwerpen, dan reageren burgemeester Janssens of zijn schepenen in de pers. En dan is de reactie hard: er moet kordaat ingegrepen worden, er zijn GAS-sancties nodig, ze moeten weten dat het zo niet kan. Kortom, het hele discours van rechten en vooral plichten komt dan bovendrijven. Een discours dat in de feiten enkel bovengehaald wordt om het over de plichten te hebben, niet over de rechten. Buiten dergelijke opstoten heerst de stilte en die stilte is oorverdovend.

Die stilte is geen goed teken. Het is geen symbool dat de samenleving de opstoot van racisme achter zich heeft. Het is geen symbool  van een samenleving die zich in die laatste twee decennia verzoend heeft met de diversiteit die onze samenleving rijk is. Het is geen symbool van een samenleving die in de geest van de Verlichting diversiteit als een feit ziet, als het recht van het individu om zijn of haar leven uit te bouwen zoals zij dat wenst. De geest van John Locke (1689), die tolerantie tussen religies predikte als de manier om conflicten en geweld uit de samenleving te bannen,  is niet de leidraad van het beleid of het maatschappelijk debat. Immers, Locke was van oordeel dat een staat zich niet te moeien had met de geloofsartikelen van de gelovigen zolang die de civiele vrijheden van anderen niet schonden. Bovendien had de staat geen autoriteit en dus geen impact over de inhoud van de religie in de geesten van de mensen. Elk ingrijpen van de staat in religieuze aangelegenheden was dan ook contraproductief.

Die godsdienstvrijheid wordt dan wel steevast uitgeroepen als een eigenschap van ons, van onze samenleving, in de praktijk worden er enkel lippendiensten bewezen aan de uitgangspunten van John Locke. Meer nog, godsdienstvrijheid wordt geïnstrumentaliseerd als een uitsluitingsmechanisme. Als iets wat wij zouden hebben en de ander niet, en bijgevolg iets wat ons superieur maakt aan die ander. De godsdienstvrijheid, net zoals die andere rechten die steevast herhaald worden als mantra’s in de communicatie over de multiculturele samenleving worden ingezet om een cultureel evolutionisme te verantwoorden. Godsdienstvrijheid, de scheiding van Kerk en staat zijn dat de banners waaronder een aanval op de waarden van de Verlichting wordt ingezet.

De nadruk op godsdienstvrijheid betekent dus niet dat we net zoals Thomas Paine (1791) een pleidooi houden voor een absoluut recht op godsdienstvrijheid. Integendeel, het hoofddoekenverbod is dominant. Het verbod op de boerka passeerde geruisloos, op een tegenstem na. Eva Brems stemde tegen net omdat ze redeneerde vanuit de Rechten van de mens. Meteen werd ze door Dirk Verhofstadt van Liberales, in “goede traditie” van het cultureel evolutionisme zoals de Van Rooy’s die vertegenwoordigen in Vlaanderen, op haar plaats gezet als verdediger van de nazistische islam .  Opkomen voor de mensenrechten levert in het Vlaanderen vandaag het label van meeheuler met de hedendaagse nazi’s op.

Dit verwijt passeerde even geruisloos als het boerkaverbod. Die stilte is er niet alleen als het over godsdienstvrijheid gaat. Integendeel. De stilte is zo mogelijk nog oorverdovender als het over sociaaleconomische rechten gaat. Het recht op een goed leven, het recht op een goede job met goede arbeidsvoorwaarden, het recht op een dak boven het hoofd, het recht om gelijk behandeld te worden. Al deze rechten lijken onbestaand in onze zelfverbeelding en dus niet belangrijk. Het hoeft dan niet te verbazen dat het streven naar gelijkheid door herverdeling niet hoog op de agenda staat. De strijd tegen racisme is zo goed als afwezig in onze media en in het politieke debat. Die strijd lijkt gestreden, van racisme lijkt geen sprake te zijn. Ongelijkheid, de hoge werkloosheid bij allochtonen is dan louter een kwestie van willen en culturele onaangepastheid, zoals Bart Somers ooit verklaarde in het kader van zijn plan om de “allochtone” werkloosheid  op te lossen.

DE STILTE ALS SYMBOOL VAN DE MACHT

De mensenrechten, de godsdienstvrijheid en de sociaaleconomische rechten incluis, worden vandaag meer en meer gezien als uitingen van onhaalbaar utopisch denken. Van een abstract en naïef kosmopolitisme dat in de praktijk niet alleen onwerkbaar is, maar zelfs gevaarlijk is. Daarom moeten deze rechten in balans gebracht worden, gecorrigeerd worden met antiliberale dogma’s zoals de waarden en normen van het volk. In naam van het realisme, van de democratie en de waarden van de Verlichting wordt dan opgeroepen om die rechten terug te brengen tot wat haalbaar is. Wat de publieke opinie wil.

Zo moet het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding volgens N-VA niet meer opereren volgens de internationale standaarden van de Rechten van de mens, maar moet haar opdracht in de pas gebracht worden met de Vlaamse publieke opinie. N-VA droomt daarom luidop van een Vlaams Centrum waarbij Ben Weyts hoopt dat er dan "een nieuwe weg wordt ingeslagen naar een minder wereldvreemd Centrum dat eindelijk wat aansluit bij de visie van de Vlamingen op migratie en integratie. " 

En ook deze opmerking verdween zonder veel ophef tussen de plooien van de macht. Op een minuscuul artikeltje van Joël De Ceulaer in De Standaard na en een reactie van Eva Brems  bleef het terug oorverdovend stil. Nochtans zijn dergelijke uitspraken uiterst radicaal te noemen. De Rechten van de mens worden hier ondergeschikt gemaakt aan de belangen van de Vlaamse natie. Het primaat van de natie en haar morele orde worden als ijkpunt genomen. Het universele belang wordt ingeruild voor het particuliere. En opvallend is dat dit gepaard gaat met een discours dat die natie verbeeldt als de emanatie van de Verlichtingswaarden. In dat discours worden die Verlichtingswaarden herleid tot een Vlaams cultureel erfgoed. En enkel die rechten die effectief de goedkeuring meedragen in de publieke opinie zijn het waard om bewaard te worden, voor de andere moeten we “pragmatisch zijn” dixit De Wever.

In de laatste twee decennia zijn we gewoon geraakt aan dergelijke stellingen. Meer nog, ze verbeelden een dominante consensus. De stilte in het debat, het gebrek aan ideologische strijd tegen dergelijke inperkingen van onze rechten, wijst ons er op dat die visie hegemonisch is.

In 1957 schrijft Roland Barthes al dat die stilte niet betekent dat iets onmachtig was, niet belangrijk is of geen invloed uitoefent. In tegendeel, de stilte is net de uiting van macht. Het is voor Barthes dan ook geen toeval dat er in Europa geen politieke partijen zijn die expliciet hun strijd voor de bourgeoisie vermelden in hun naam of beginselen: “De bourgeoisie definieert zich als de maatschappelijke klasse die niet genoemd wil worden.”  Die “ontnoeming” is belangrijk volgens Barthes, omdat die klasse er zo in slaagt zichzelf te verbeelden als normaal, neutraal, niet ideologisch, maar als vanzelfsprekend, feitelijk. En net hierdoor wordt die ideologie het nulpunt waartegen alle andere ideologieën worden beoordeeld en vaak veroordeeld.

De stilte in het debat is dus niet betekenisloos, maar integendeel toont ze net de macht en meer nog, de wijze waarop ideologie gebruikt wordt als een instrument van machtsuitoefening. De stilte in het inburgeringsdebat leidt ons onvermijdelijk tot de conclusie dat die stilte de norm verbeeldt. De stilte symboliseert de ideologie die hegemonisch is, niet genoemd wordt en net daardoor een enorm machtspotentieel in zich draagt. Die dominante ideologie is de ideologie van het nationalisme en het homogeneïsme. Het idee dat de samenleving een grote mate van homogeniteit nodig heeft wil ze leefbaar zijn. Onderliggend daaraan is het Herderiaans en Burkeaans concept van de natie als gekneed door de geschiedenis. Een idee dat sinds de jaren 90 centraal staat in het integratiedebat.

DE ORGANISCHE NATIE EN DE STRIJD VOOR HOMOGENITEIT

Het integratiebeleid uit de jaren 90 betekende een omslag in macht en dus in de dominante ideologie (Maly, 2009 &2007; Arnoudt e.a. 2009; Blommaert & Verschueren, 1998 & 1992). Wereldwijd zien we vanaf 1989 en de latere val van het Sovjetrijk, niet alleen dat overal het failliet van het socialisme uitgeroepen werd met het TINA-argument in de hand. Het (neo)liberalisme werd binnengehaald als de welverdiende winnaar. In de woorden van Fukuyama heet het dan dat die ideologie die niet kon verbeterd worden. Het was ook de periode dat we een opkomst zien van het nationalisme. Al deze ontwikkelingen op wereldschaal krijgen ook hun vertalingen in eigen land.

Enerzijds zien we de opkomst van het Vlaams Blok met een biologisch nationalisme en een expliciet racistische agenda. Anderzijds zien we onder aanstuwen van Verhofstadt de groei van de PVV, later de VLD en haar neoliberale dogma’s. Dat beide partijen samen op de oppositiebanken zaten is ook te zien aan hun inhoudelijke lijn. Beide ageerden tegen de bestaande democratie en stonden voor een compleet nieuwe invulling ervan: het vox-populisme. Democratie is dan geen groot verhaal meer gebaseerd op de Rechten van de mens, de grondwet en de Verlichtingswaarden van gelijkheid en vrijheid. Democratie wordt geherdefinieerd als de stem van het volk die uit de mond rolt van de politicus. Niet alleen het socialisme geraakt in het defensief en moet vanaf dan functioneren binnen een neoliberale rechtse hegemonie. Ook de waarden van de Verlichting en de democratie worden geraakt door deze nieuwe ontwikkelingen.

Die nieuwe hegemonie laat zich duidelijk zien in wat destijds het integratiedebat werd genoemd. Waar integratie in de decennia voordien gebruikt werd binnen een sociaaleconomische logica, zien we in dit integratieparadigma van de overheid al heel snel een culturele dimensie opduiken (Blommaert, 2011b). Voor 1989 sprak men enkel binnen vakbondskringen en het straathoekwerk over integratie en integratieproblemen. Men had het dan over de gigantische werkloosheid en de problematiek van discriminatie die de migranten trof na de crisis van de jaren 70. Opeens was er een enorme arbeidsreserve van migranten die niet aan werk raakten met alle sociale gevolgen van dien. Integratie in die context ging dus over het aan het werk helpen van migranten. Integratie was sociaaleconomische integratie. Echter toen was er geen beleid en dus had het discours geen impact op de politiek en de samenleving (Blommaert, 2011b).

De noodzaak aan beleid zou maar gevoeld worden door de politiek als het extreemrechts Blok electoraal begon te groeien. De oplossing voor die groei van het Blok én de samenlevingsproblemen vonden de mainstreampolitici in een integratiebeleid. Dat beleid reproduceerde de premissen van het Vlaams Blok, namelijk dat de samenlevingsproblemen geen sociaaleconomische of politieke problemen waren, maar culturele problemen. Het was een geval van botsende culturen. De eerste generatie die jaren het vuile werk had opgeknapt, werd opeens verbeeld als luierikken, profiteurs van onze sociale zekerheid.

Die boodschap zien we ook terug in de oplossing die de meerderheidspartijen aandroegen: het integratiebeleid was geboren. Die oplossing was geen oplossing die gericht was op een uitdieping van democratie, op het installeren van gelijkheid en het vrijwaren van vrijheid (Zemni, 2009). De oplossing werd gevonden in een beleid dat gericht was op het cultureel integreren van de nieuwkomers in onze cultuur. En waar er in die beginjaren nog aandacht was voor de positie van migranten in de samenleving, de strijd tegen racisme en voor gelijkheid, verdwenen deze invalshoeken gedurende de laatste twee decennia steeds meer naar de achtergrond.

MACHTSSTRIJD, TUSSEN PERCEPTIE EN REALITEIT

De onderliggende premisse van het integratiebeleid is dus dat we de samenleving maar leefbaar kunnen maken en houden als er homogeniteit is. Als iedereen dezelfde waarden en normen bezit en uitdraagt. En uiteraard moet men Nederlands spreken in Vlaanderen. Deze premissen zijn vandaag hegemonisch. Niemand lijkt deze uitgangspunten in vraag te stellen, en wie dat wel doet, mag rekenen op een portie onbegrip tot en met scheldtirades en veel meer…  Meer nog, de massamedia maken nog weinig ruimte voor standpunten die vertrekken vanuit de democratie en de Verlichtingswaarden in dit debat. Het zijn standpunten die nogal vaak labels krijgen als “dat horen we al zolang”, “dat is politiek correcte praat”, “de taboes moeten sneuvelen”, … 

Vandaag is elke kritiek op de idee van culturele integratie een uiting van een “extreem links” –gedachtegoed. Die kritiek wordt gemarginaliseerd. Ze circuleert niet vlot in de massamedia, maar is beperkt tot universiteiten en gespecialiseerde micromedia. Tom Naegels  mag dan wel van mening zijn dat ook de rechterzijde oprecht is wanneer ze stelt dat ze niet gehoord worden, gemarginaliseerd worden door de linkse kerk die alle macht in handen heeft en het beleid bepaalt, de feiten liegen er niet om. Wie van beide partijen hier de waarheid spreekt mag er volgens de progressieve journalist dan weinig toe doen, in de realiteit doet dat er natuurlijk wel toe, zeker voor journalisten.

De taak van de journalistiek is immers niet om beide standpunten als evenwaardig naast elkaar te plaatsen, maar om te duiden welk standpunt “posse” is en welk niet. Die oefening is bovendien helemaal niet moeilijk. Kijken we naar de beleidsdaden van de politiek, dan kunnen we er niet naast kijken dat die linkse critici weinig of niets in de pap te brokken gehad hebben in de laatste twee decennia. Het verbod op religieuze symbolen aan de loketten en in scholen is er niet gekomen op aansturen van linkse kritiek. Het tot op vandaag ontbreken van een degelijk juridisch kader voor praktijktests is geen gevolg van die linkse stemmen. De nadruk op waarden en normen in het inburgeringsbeleid, en het inburgeringsbeleid tout court is een beleidsdaad die niet beïnvloed is door linkse denkers.  De woorden van die linkse denkers mogen dan wel af en toe in de krant verschijnen. Ze mogen populaire boeken en wetenschappelijke standaardwerken schrijven, impact op het beleid is er zelden.

Die zwakte van links in het debat wordt overduidelijk als we naar de beleidsdaden kijken. Centraal beleidsinstrument inzake de interculturele samenleving vandaag is het inburgeringsbeleid. Dit beleid is er op gericht om nieuwkomers waarden en normen aan te leren en onze taal aan te leren. Dit beleid wordt verkocht als een emancipatiebeleid, een beleid dat kansen biedt aan de nieuwkomer. Maar ook een beleid dat noodzakelijk is voor het samen-leven, voor de harmonieuze samenleving. Onderliggend aan dit idee is dat de natie, met de bijhorende morele orde moet gevrijwaard blijven. Voor het Vlaams Belang is er daarom maar een optie: de nieuwkomers moet terugkeren. N-VA laat een opening door te stellen dat nieuwkomers welkom zijn, als ze zich assimileren aan de Vlaamse identiteit, aan de waarden en normen en de culturele sokkel van onze samenleving.

DE ANTIVERLICHTINGSTRADITIE EN DE HOMOGENE NATIE

Dat is een rechts verhaal, geen links verhaal. Dit beleid wordt dan wel verantwoord als zijnde een beleid in naam van kansen, in naam van de Verlichting, in de feiten is dit een beleid dat vertrekt vanuit nationalisme en de Antiverlichtingstraditie. Die Antiverlichtingstraditie zet onder aanstuwen van denkers als Burke, Herder, Taine, Renan, Croce en Meinecke vanaf de achttiende eeuw een meer dan twee eeuwen durende aanval in op de verlichtingswaarden. Die aanval op de democratie, de rechten van de mens, Natural Law, het universaliteitsprincipe en de verlichtingswaarden van vrijheid en gelijkheid worden vanaf het begin gevoerd in naam van de natie en haar waarden en normen.

Centraal in dat Antiverlichtingsdenken staan vier grote principes: organisch nationalisme, het belang van de morele orde, de strijd tegen gelijkheid en de kritiek op wat zij zien als het utopisme, het rationalisme en universalisme van de Verlichting. Kort samengevat. In de Antiverlichtingstraditie wordt de natie gezien als de basis van alles. Die natie is organisch gegroeid, gekneed door de geschiedenis en aldus een natuurlijk product. Het is een levend organisme met een identiteit. Die natie bestaat uiteraard uit verschillende mensen die zich op verschillende posities bevinden in die natie. Elk van die posities is belangrijk en dus moet die orde –dat onvermijdelijk een orde is van ongelijkheid – behouden blijven. Leiders moeten leiders blijven, arbeiders arbeiders enz. Dat is meteen ook de verklaring waarom alle Antiverlichtingsdenkers zich verzetten tegen elk streven naar gelijkheid door herverdeling: de orde van de natie moet overeind blijven.

Die organische natie komt met een nationale identiteit die gestoeld is op een morele en culturele sokkel. Een geheel aan waarden en normen die eigen zijn aan de natie. En ook die waarden en normen moeten overeind blijven, mogen niet veranderen en moeten bijgevolg consequent gereproduceerd worden. Het bewaren en reproduceren van die waarden en normen primeert dan ook over de vrijheid van religie of culturele voorkeuren. Kortom, het bewaren van die morele en culturele orde primeert ook over de Rechten van de mens. Deze ideologische positie wordt dan in de markt gezet als een uiting van realisme en dus niet als een radicaal politiek-ideologisch project. Een klassieke oneliner uit deze traditie is dan: we moeten realistisch zijn, we kunnen niet het OCMW zijn voor de hele wereld.

Kortom de strijd van de Antiverlichting voor het behoud en de reproductie van de homogene natie, is steeds een strijd voor het particuliere en tegen het universele. De natie en het nationalisme zijn dan realistisch en concreet, de strijd voor de Rechten van de mens, de strijd voor vrijheid en gelijkheid is dan een uiting van utopisme en abstractie. Die utopieën, wat een codewoord is voor het ingrijpen van de politiek in de samenleving om gelijkheid te bewerkstelligen, worden dan aan de kant gezet als onwerkbaar, meer zelfs als gevaarlijk en zelfs gewelddadig. Het Verlichtingsidee dat de moraal net universeel, kosmopolitisch is, wordt dan ook verworpen. In de plaats komt het Burkeaans en Herderiaans denken over de wereld als een lappendeken van naties met elk hun culturele en morele sokkel. 

Niet alleen primeert de natie over het universele, de natie primeert ook over het individu. Niet de universele rechten van het individu zijn de maat der dingen, maar het voortbestaan van de organische natie is de enige juiste betrachting. Rechten kunnen dan ook maar uitgeoefend worden, zolang ze de culturele sokkel van de natie niet in gevaar brengen. Een samenleving kan dan ook niet bestaan als een geheel van individuen die samenleven met elkaar op basis van de wetten. De natie moet in eerste instantie een morele binding zijn tussen mensen. Alle burgers moeten de nationale identiteit in zich hebben en uitdragen. Die waarden en normen vormen niet alleen de “noodzakelijke binding” in de woorden van Bracke, maar zorgen ook voor de sociale controle die volgens De Wever moet voorafgaan aan de wet. Dat is het recept voor hun ideale samenleving, de harmonieuze samenleving. Niet de wet en de vrijheden staan centraal, maar de morele orde van de homogene natie

DE ONTKENNING VAN SUPERDIVERSITEIT

Het is dat perspectief van de (organische) homogene natie dat vandaag dominant is binnen het denken over België en de superdiverse samenleving in het bijzonder. In die verbeelding is België een “Tweelandenstaat” om het in het jargon van De Standaard te duiden . Dit concept is natuurlijk een doordrukje van de bekendste oneliner van De Wever om België te omschrijven: “Twee culturen, twee publieke opinies, twee democratieën”. Naast het feit dat deze oneliner de democratie herleid tot een etnocratie, verraadt die ook een zuiver Herderiaans nationalisme, waarbij de natie staat voor een groep mensen die een taal en een cultuur delen met elkaar. Bovendien is die oneliner vandaag wijdverspreid. Hij rolt uit de mond van journalisten, intellectuelen en politici uit verschillende partijen (Maly & Zienkowski e.a., 2011). Dat is vreemd, want deze oneliner heeft niets van doen met een feitelijke beschrijving van de realiteit, maar alles met een politiek-ideologische strijd.

Het is een puur ideologisch discours dat de Belgische, Brusselse en Vlaamse realiteit ontkent. België is immers het toneel van veel meer diversiteit dan de idee van “twee publieke opinies” of “ twee culturen” doet uitschijnen.  Een oppervlakkige blik op Brussel en iedereen weet dat die idee niet klopt. Brussel is niet alleen een metropool, ze is ook een afspiegeling van bijna heel de wereld. Minder dan de helft van de Brusselse bevolking is van Belgische origine; een derde komt uit een niet-Europees land (Corijn & Vloeberghs 2009: 171). Superrijk en superarm wonen er zij aan zij. Geen enkele taal is een meerderheidstaal in Brussel en er is in die zin ook geen hegemonische meerderheidscultuur (Blommaert, 2011).  En niet alleen Brussel is divers, ook Vlaanderen en Wallonië zijn dat. Op basis van politieke voorkeuren, op basis van verschil tussen stedeling en plattelandsbewoner, opleidingsniveau, gender, seksuele voorkeur, religie, … 

In België, zoals overal in Europa, is superdiversiteit een onomstotelijk feit.  Die superdiversiteit is het gevolg van allerlei nieuwe evoluties in de laatste decennia. Blommaert (2011a) beschrijft daarin twee centrale factoren. Enerzijds heeft de val van de bipolaire wereld geleid tot een hele nieuwe ‘zonering’ van de wereld, wat nieuwe migratiestromen op gang heeft gebracht. Anderzijds is er een enorme verandering in de communicatietechnologie met de ontwikkeling en de opkomst van de gsm en internet. Migratie betekent vandaag bijvoorbeeld niet meer het absoluut doorknippen van de banden met het thuisfront. Die evoluties hebben onze samenleving omgevormd tot een superdiverse samenleving (Blommaert, 2011a). Die superdiversiteit heeft volgens Vertovec  (2007) tevens een hele reeks nieuwe socioculturele en politieke fenomenen geschapen. Het Herderiaanse idee van 1 volk, 1 natie, 1 taal en 1 cultuur is vandaag minder dan ooit een realistische beschrijving van de maatschappij. Superdiversiteit is de realiteit, en toch domineert de Herderiaanse blik op de realiteit en dat wordt nergens beter geïllustreerd dan in het inburgeringsdebat.

DE STILTE EN DE CRISIS VAN DE DEMOCRATIE

De homogene Vlaamse natie wordt steeds opnieuw verbeeld als een feitelijke beschrijving van de realiteit. Die natie, met haar waarden en normen is er gewoon en die moet bewaard blijven. Nieuwkomers en allochtonen bedreigen die homogene natie, net omdat men in Herderiaanse traditie vooronderstelt dat hun waarden en normen niet alleen niet dezelfde zijn, maar net omdat ze anders zijn en dus een bedreiging vormen voor “onze cultuur”, voor het harmonieus samenleven. En dus moeten ze ingeburgerd worden. Enkel als ze ingeburgerd worden en zich als Vlaming identificeren en gedragen, worden ze volwaardig burger. Het is op dat punt dat de rechterzijde nog steeds aan het strijden is, namelijk om het steeds meer voorwaardelijk maken van de rechten van nieuwkomers. De intentie om Nederlands te leren vooraleer men recht heeft op een sociale woning gaat voor Homans (N-VA) al niet meer ver genoeg, als het van haar afhangt, moeten ze slagen voor een examen. En ook het recht op bijstand, leefloon, recht op werk, … alles wil men afhankelijk maken van de assimilatie.

De stilte waarmee dergelijke voorstellen begroet worden, is beangstigend. Het toont immers dat het “allochtonendebat” een machtig instrument is voor de uitholling van de democratie. Meer nog, die aanval op de waarden van de Verlichting wordt niet bestempeld als radicaal, zelfs niet als politiek-ideologisch, maar als realisme. En net dat toont de hegemonie van dit Antiverlichtingsdenken. De stilte en verdeeldheid bij de linkerzijde over dit debat toont aan dat de crisis van de democratie fundamenteel en structureel is. Het is tijd dat de democratische mens haar stem laat horen.

 

Ico Maly is coördinator van Kif Kif en doctoreert aan de Universiteit van Tilburg over de Antiverlichtingstraditie en nationalisme in Vlaanderen. Voordien studeerde hij Vergelijkende Cultuurwetenschappen en Ontwikkelingssamenwerking, politiek en conflict aan de Universiteit van Gent. Hij schreef De Beschavingsmachine, Wij en de Islam (EPO), was redacteur van het boek Cultu(u)rENpolitiek en publiceerde in 2011 samen met Jan Zienkowski (red.) het e-boek Het rijpen van de geesten.


BRONNEN

Arnout, K., Bracke, S., Ceuppens, B., De Mul, S., Fadil, N. & Kanmaz, M., 2009: Een Leeuw in een kooi. De grenzen van het multiculturele Vlaanderen. Meulenhoff|Manteau, Antwerpen, Amsterdam.

Barthes, R. 2001 (1957): Mythologies. New York, Hill & Wang.

Blommaert, J. 2011b: De heruitvinding van de samenleving. EPO: Berchem.

Blommaert, J. 2011a: Superdiversiteit. KifKif.be: http://kifkif.riffle.be/actua/superdiversiteit .

Blommaert, J. & Verschueren, J.(1998): Debating Diversity. Routledge.

Blommaert, J. & Verschueren, J., 1992: Het Belgisch Migrantendebat. De pragmatiek van abnormalisering. IPrA Research Center, Antwerpen.

Corijn, E. & Vloeberghs, E. 2009: Brussel!. Brussels: VUB Press.

Locke, J. 1983 [1689]: A letter Concerning toleration. Hackett Publishing Company, INC. Indianapolis.

Maly, I. & Zienkowski, J., 2011: Het rijpen van de geesten. De woorden van De Wever en de strijd om uw ziel. KifKif.be: http://www.kifkif.be/actua/het-rijpen-van-de-geesten.

Maly, I., 2009: De Beschavingsmachine, Wij & De Islam: EPO, Berchem.

Maly, I. (red.), 2007: Cultu(u)rENpolitiek. Over media, globalisering en culturele identiteiten. Garant, Berchem.

Paine, T. & Linebaugh P. 2009: Peter Linebaugh presents Thomas Paine: rights of man and common sense. Verso, London, New York.

Vertovec, S., 2007: Super-Diversity and its implications. Ethnic and Racial Studies 26: 1024-1054.

Zemni, S. 2009: Het islamdebat. Epo: Berchem.