This Is What I Read Podcast: The Nickel Boys

Deze keer schoof schrijfster Dalilla Hermans mee aan tafel voor This Is What I Read. We praatten over 'The Nickel Boys', de laatste roman van Colson Whitehead, maar ook over haar eigen boeken, over tegenwind krijgen en over je mond moeten houden.

Hieronder kan je een stukje transcriptie uit het gesprek lezen. De volledige aflevering kan je beluisteren via Apple PodcastsSoundcloud of Spotify.

Nadat Elwood wordt gestraft, schrijft Colson Whitehead later: “Horror comics,” – dus hij leest graag horror comics – Horror comics, he’d noticed, delivered two kinds of punishment – completely undeserved, and sinister justice for the wicked. He placed his current misfortune in the former category and waited to turn the page.Dat vind ik zo straf, dat hij dat op die manier schrijft en ik vroeg me af: heb je zelf ooit ook het gevoel gehad dat je totaal onverdiend gestraft wordt en dat je hoopte dat het snel voorbij ging?

Zeker niet in de mate dat het in dit verhaal voorkomt, tuurlijk niet. Mijn ouders waren altijd redelijk fair, en mijn leerkrachten eigenlijk ook. Maar ik heb wel in mijn publieke rol soms dat gevoel. Ik word soms neergezet als iets wat ik echt niet ben en ik word dan heel erg aangepakt in de online comments, in open brieven en in opiniestukken van anderen over dingen die ik niet heb gezegd. Die ik effectief ook nooit zou zeggen. En dat is een frustrerend gevoel. Maar ik ben er wel in gegroeid. Toen het de eerste keren gebeurde had ik heel erg de neiging om mezelf te verdedigen en om met iedereen in gesprek te gaan die het niet had begrepen of niet had gelezen wat ik zei. Dat doe ik veel minder. Ik heb nu veel meer: kijk, dit is lastig, maar ik leg het naast mij neer. Maar dus – en het is absoluut niet met Elwood te vergelijken – maar in a way, het gevoel hebben 'ik word hier onterecht overspoeld door iets of het komt vanuit een hoek waar ik het totaal niet zie aankomen', daar kan ik zeker wel aan relateren.

Meestal denk ik, of ben ik er eigenlijk van overtuigd, dat mensen van kleur die hun mond opentrekken gewoon altijd gestraft worden. Dat is gewoon zo. Wij willen deze maatschappij mee vormgeven en wij zijn heel lang stil geweest en volgzaam en dociel. Dat weet ik nog van mezelf toen ik op de lagere school zat. Maar we zijn mondiger aan het worden. We organiseren ons, we informeren elkaar, we informeren onszelf, we leren dingen. We  schrijven zelf theorieën uit, we schrijven boeken. En dus hebben we een stem – niet gekregen – maar zelf gegrepen en dat is zo beangstigend voor een grote groep mensen die natuurlijk gewoon heel lang de dienst heeft uitgemaakt, maar nu moet gaan beseffen: ik ben misschien niet zo belangrijk. En ook geconfronteerd wordt met hun eigen achtergrond en witheid. En ik bedoel niet witheid van huidskleur maar witheid van denken.

Zeker. En zeker vrouwen trouwens. Er is een ‘schone’ kruisbestuiving van racisme en seksisme, daar kunnen we ook nog een halfuur over praten. Maar vrouwen van kleur die zich publiek uitspreken tegen –

Maar zeker nog eens extra zwarte vrouwen.

De tegenwind is zo virulent, het is bijna…je kop moet eraf. Want je hebt hem boven maaiveld gestoken, hij moet eraf. En ik herinner me dat ik op nieuwe redacties… Ik ben een paar keer op nieuwe plaatsen beginnen schrijven. Ik zeg hen altijd op voorhand: wees je er van bewust dat wat er over mij zal binnenkomen shockerend zal zijn. En elke keer opnieuw, [zeggen ze:] ja, maar al onze columnisten [krijgen reacties]. En twee weken later krijg ik meestal een telefoontje.

Dit is toch van een heel ander kaliber.”

Ja. Dat is gewoon zo. Dat is historisch zo, het verandert ook niet. (…) Dat is echt omdat wij de status quo zo bang maken. Het is zo belangrijk dat we zwijgen, want alles moet in stand blijven. En ik denk ook wat mezelf persoonlijk betreft: een van de redenen dat ik zoveel aandacht kreeg in het begin toen ik mijn eerste open brief schreef, vijf jaar geleden, omdat ik op een heel rare manier nog vervelender ben. Ik ben geadopteerd. Mijn ouders zijn witte Vlamingen. Ik heb alles gedaan wat een Vlaams kind doet. Ik ken die wereld zo goed. Dus als iemand als ik zei dat er een gigantisch probleem is [van racisme], dan was er geen weerwoord. Ze konden niet zeggen dat het aan mijn taal ligt, dat ik me moet aanpassen of dat het mijn cultuur is, of dat ik niet naar hier had moeten komen. Ze hebben mij naar hier gehaald.

(…)

Ik heb de laatste maanden heel veel gehoord dat we bruggen moeten bouwen en dat we moeten verbinden. Ik word daar zelf… Ik merk het gewoon nu al: ik word daar heel lastig van. Jij gaat veel spreken op scholen, bij bedrijven over racisme. Ik vraag me af wat jij er van vindt van dat bruggen bouwen en verbinding zoeken of maken. Moeten we dat altijd doen? Ik bedoel wij, zwarte mensen en mensen van kleur?

Ik heb een hoofdstuk in mijn nieuw non-fictie boek daaraan gewijd omdat ik daar zelf een heel grote evolutie in heb doorgemaakt. Ik denk dat als mensen mijn bio copypasten van op internet, dan kom je daar ook bij uit: dat ik via “de kracht van dialoog bruggen…”, zoiets in de aard, iets zweverigs. Wel ooit door mezelf geschreven, dus ik moet er ook niet flauw over doen. (…) Ik geloof wel in dialoog, ik geloof in gesprek gaan met elkaar. Op dat niveau geloof ik in bruggen bouwen en in verbinding gaan. Omdat ik gewoon heel realistisch wil zijn. Ik zou het heel jammer vinden als we een gesegregeerde maatschappij hebben waar mensen van kleur in een andere realiteit leven dan –

We hebben een gesegregeerde maatschappij. We leven daarin. Dat is onze realiteit.

Tuurlijk. Maar ik zou dat niet willen uitkristalliseren. Waar ik niet meer in geloof is de manier waarop die dialoog verloopt. (…) Op dit moment wordt er veel te veel gewicht gelegd bij één gesprekspartner. De witte maatschappij hoeft niks anders te doen dan te zitten en te luisteren en mag dan, compleet niet onderbouwd, los van eender welk denkwerk dat er aan vooraf is gegaan, keiharde dingen zeggen. En ik moet dan rustig blijven en daar naar luisteren? Dat is geen dialoog.