BDW en de oneliners voor de meerwaardezoeker

Gisteren zagen we een klassieke De Wever op Reyers Politiek. De N-VA-voorzitter gaf een 50 minutenlange bloemlezing van zijn oneliners. Een kritische stem ontbrak volkomen.
BDW en de oneliners voor de meerwaardezoeker

Het optreden van De Wever en Sminate was geslaagde propaganda, meer nog het was beproefde propaganda. Ongeveer elke zin werd al meermaals uitgesproken in de jaren voordien. En ongeveer alle oneliners zijn inherent problematisch of verdienen op zijn minst een historische en politiek-ideologische context en kritiek. En net dat ontbrak in het programma.

 

Reyers Laat gaat in het licht van de moeder aller verkiezingen politiek. In elke aflevering van Reyers Politiek wordt ingezoomd op de ideologie van één politieke partij. De Wever mocht de spits afbijten en had daarvoor met Nadia Sminate ‘de eerste allochtone (N-VA) burgemeester’ van het land mee. De Wever deed wat hij altijd doet, communiceren op maat van het format. Enthousiasme over zoveel inhoud nam Twitterland in zijn greep. Eindelijk diepgang, eindelijk tijd voor informatie en diepgravende journalistiek over de ideologie van de N-VA. We zijn zo gewoon aan de snelle hap dat louter het feit dat een partij meer dan vijftig minuten de tijd krijgt om te spreken over de partijideologie als een ware revolutie wordt geboekstaafd en a priori als een teken van diepgang wordt gezien. In de euforiestroom vergat men dat De Wever vijftig minutenlang een bloemlezing gaf van zijn oneliners en geen enkele keer het vuur aan de schenen werd gelegd. Het format van ReyersPolitiek is perfect op maat geschreven van de ‘grote communicator’.

 

De val van de Berlijnse muur


Het was meteen duidelijk wat het doel van De Wever was: het gematigd imago van zijn partij onderstrepen en vooral het onderscheid tussen zijn partij en het Vlaams Belang benadrukken. Tussen beide projecten loopt een Berlijnse muur wist De Wever te vertellen. Het Vlaams Belang zou een zuiver etnisch-cultureel nationalisme aanhangen, zeg maar het klassieke Bloed-en-Bodem-nationalisme. De N-VA zou daarentegen de nadruk leggen op een civiel nationalisme. We hebben een ‘ethisch project, geen etnisch’ zo echode Nadia Sminate de woorden van De Wever. Al wil De Wever niet gezegd hebben dat zijn nationalisme louter civiel zou zijn, ook etnisch-culturele zaken zoals de taal en culturele elementen zijn van belang.

Om het nationalisme van N-VA te doorgronden moeten we inzien dat De Wever constant twee natiebegrippen door elkaar gebruikt en op elkaar ent. Enerzijds hanteert hij net zoals het Vlaams Belang een etnisch-cultureel nationalisme (natie 1). Anderzijds koppelt hij daar een civiel nationalisme (natie 2) aan. Als hij het onderscheid wil duiden met het Vlaams Belang komt de nadruk te liggen op dat civiel nationalisme: iedereen kan Vlaams burger worden. Dat civiel nationalisme zou het N-VA nationalisme compleet anders maken dan het foute gesloten Vlaams Belang-nationalisme. Dat is die Berlijnse muur waar De Wever over spreekt. (Die framing was trouwens de enige nieuwigheid in heel zijn betoog.) Die metafoor is echter misleidend. Net zoals bij het Vlaams Belang is ook bij N-VA natie 1; de etnisch-culturele natie, dominant.

Ook in het N-VA nationalisme zouden wij Vlamingen een ‘lotsgemeenschap’ zijn, met ‘een gedeeld cultureel patroon’ en een ‘gedeeld verleden’. En dat zou ons gekneed hebben tot een democratie. De Wever en zijn kompanen onderstrepen dan ook constant dat identiteit (lees de Vlaamse nationale identiteit) van cruciaal belang is in hun project. N-VA is een gemeenschapspartij en die identiteit is de basis van ‘de Vlaamse ethische gemeenschap’ en dus van ‘onze democratie’. (Noteer de automatische gelijkschakeling tussen gemeenschap en democratie in het discours van De Wever, alsof dat een evidente band zou zijn) Nieuwkomers zijn welkom als ze de publieke cultuur onderschrijven en eigen maken. Als ze Vlamingen worden onder de Vlamingen. Volgens De Wever is daarvoor een gezonde mix nodig tussen een aantal culturele elementen, zoals de taal, en een aantal civiele elementen, zoals het aansluiten bij ‘de grondstroom van onze samenleving’. Het is die identiteit die bepaalt wie bij de gemeenschap behoort en wie niet.

Deze bloemlezing aan oneliners maakt duidelijk dat beide natieconcepten van het N-VA-nationalisme hiërarchisch geordend zijn en dat er dus weinig nieuws is aan het N-VA-nationalisme. Natie 1 is dominant en nieuwkomers moeten zich de culturele sokkel en identiteit van die etnisch-culturele natie eigen maken. Ook de N-VA-natie gaat gepaard met een cultureel patroon, een identiteit, een taal en een gedeeld verleden. Die ‘culturele sokkel’ moet no matter what bewaard blijven. Je mag toetreden tot ‘de club’ als je je houdt aan de regels. Nieuwkomers zijn dan welkom als ze zich inschrijven in die morele orde van natie 1, als ze Vlamingen onder de Vlamingen worden.

Hier wordt de gelijkenis met het Vlaams Belang-discours duidelijk. Het is volstrekt geen toeval dat Dewinter gisteren in de BMW van internetfenomeen Bear Grills net dezelfde oneliner lanceert als De Wever: nieuwkomers moeten Vlaming onder de Vlamingen worden. Zowel De Wever als Dewinter zijn van oordeel dat er zoiets is als dé Vlaamse cultuur die de publieke cultuur vormt en dat die cultuur niet mag veranderen onder druk van de cultuur van de nieuwkomers. Nieuwkomers moeten deel worden van die Vlaamse publieke cultuur en zich daar naar schikken. Net omdat natie 2 geënt is op natie 1 is natie 2 even essentialistisch is als natie 1. Nieuwkomers zijn welkom als ze zich aanpassen, als ze zich net zoals Zuhal Demir en Nadia Sminate bekennen als echte Vlamingen. Zo wordt duidelijk dat ook hier aanpassen de crux is en dat er in essentie heel weinig verschil is tussen de aanpassen of opkrassen logica van het Vlaams Belang en de Vlaming onder de Vlamingen-oneliner van N-VA. Ook in de ideologische wereld van De Wever is de Berlijnse muur al lang neergehaald.

 

De Verlichting als cultureel erfgoed

 

Wat betekent dat dan Vlaming onder de Vlamingen worden. Daar blijft De Wever, bewust, vaag over. Hij verwijst naar het Nederlands, enkele culturele elementen, ‘de publieke cultuur’, … Concreet wordt het echter nooit. Dat is geen toeval natuurlijk, want vanaf het moment dat dergelijke notie concreet wordt gemaakt vallen een hoop ‘echte Vlamingen’ meteen uit de boot of wordt het ronduit lachwekkend. Dat laatste werd duidelijk geïllustreerd in de beruchte inburgeringsbrochure van Geert Bourgeois. Uiteraard zorgt het niet expliciet definiëren van de Vlaamse identiteit ook voor een enorme macht over die nieuwkomers: enkel de echte Vlamingen kunnen bepalen welke nieuwkomer geïntegreerd is en welke niet. Net die vaagheid is een democratisch probleem, want het creëert twee klassen van Vlamingen, de echte en de nieuwkomers.

Die vaststelling is uiteraard ook problematisch in het licht van het enige woordje dat in deze context als een mantra herhaalt werd door de N-VA-voorzitter, namelijk de Verlichting. De basis van de Verlichting en de democratie is immers het idee dat iedereen gelijk is en dezelfde onvervreemdbare rechten geniet. Dat is echter niet waar De Wever naar verwijst als hij spreekt over de Verlichting. Hij begrijpt die Verlichting als een inherent deel van onze cultuur, als deel van ‘onze culturele software’. ‘Onze cultuur’ zou gekenmerkt worden door ‘de Verlichting en dat zouden nieuwkomers zich eigen moeten maken. De Verlichting wordt dan geen universeel gegeven dat iedereen verbindt, een inclusief metaperspectief, maar een zaak die ‘ons’ onderscheid van ‘de ander’. Noteer dat ook Dewinter in die logica onvermijdelijk een voorvechter van de Verlichting wordt. Racistische en uitsluitende ideologieën worden via dergelijke constructies op slag toonbeelden van de Verlichting.

Dat is natuurlijk een zaak van collateral damage van het discours van De Wever, het echte doel is natuurlijk om enkel zijn partij en de N-VA-ideologie voor te stellen als in lijn met de Verlichting, met de democratie. ‘De Verlichting’ wordt echter compleet geïnstrumentaliseerd in het N-VA discours. En hij geraakt er ook mee weg. De mantra fungeert als een ultiem bewijs van de gematigdheid van de partij: het zorgt ervoor dat die partij niet in de donkere hoek kan geplaatst worden. Probleem is dat ‘de Verlichting’ hier gepresenteerd wordt als Vlaams erfgoed, als deel van wie de Vlamingen blijkbaar per definitie zijn, als een hoeksteen van de Vlaamse cultuur. Vlamingen zijn dan ‘per definitie’ verlichtingsmensen, nieuwkomers niet.

Nog los van het feit dat ‘De Verlichting’ niet bestaat, is het probleem met dit discours natuurlijk dat het ‘de Verlichting’ herdefinieert. Dat wordt duidelijk als De Wever spreekt over kosmopolitisme, maar ook over vrijheid en gelijkheid: de kernwaarden van de radicale verlichting. Waar De Wever constant het primaat van de natie uitroept en het universele en het kosmopolitisme beschouwt als gevaarlijke fictie, staat in de ideologie van de Verlichting, zowel bij de gematigde als de radicale denkers, het universele en het kosmopolitisme centraal. Zelfs Kant, niet meteen een radicale verlichtingsdenker, droomde van een kosmopolitische moraal en was zoals we weten een voorstander van een wereldomspannende Volkerenbond. De Wever ziet dergelijk wereldburgerschap, net zoals alle anti-verlichtingsdenkers, als een idee van een wereldvreemde culturele elite die onvermijdelijk leidt tot een degeneratie van de gemeenschap, lees de natie.

Waar voor de gematigde en de radicale verlichtingsdenkers, denk aan Locke en zelfs aan een aristocraat als De Tocqueville de wet werd gezien als de basis voor vrijheid, ziet De Wever de staat en de wet als de basis van onvrijheid. De Wever spreekt hier terug in lijn met de antiverlichtingstraditie als hij stelt dat men enkel binnen de gemeenschap vrij kan zijn. Als de identiteit van de gemeenschap gezond is dan regelt die gemeenschap zichzelf en duikt er een soort organische rechtstaat op: lees sociale controle. Enkel als er een dergelijke stevige sociale controle is en de gemeenschap de gedragingen reguleert van haar burgers kan men vrij zijn. Dan is er geen staat nodig die wetten definieert en oplegt. En terug zien we dat De Wever op ramkoers ligt met de Verlichting. Voor de Verlichtingsdenkers waren de wetten de basis voor vrijheid in een samenleving. Ze zorgden er immers voor dat iedereen dezelfde rechten had en dat inbreuken op die rechten afgestraft werden. Installeert men die wetten niet of dwingt de staat die wetten niet af, dan worden privileges geïnstalleerd en die vernietigen de vrijheid. Niet zo voor De Wever: voor hem wordt de gemeenschap gekneld door de overheid en een te grote nadruk op vrijheid op basis van rechten, op basis van de wet. Voor De Wever moet de overheid zo klein mogelijk zijn en de sociale controle zo groot mogelijk. Enkel dan kan de gemeenschap vrij zijn. En hier wordt meteen duidelijk hoe naadloos het antiverlichtingsdenken van De Wever aansluit bij zijn neoliberale overtuigingen. Niet de wet maakt vrij, maar de sociale controle.

Als De Wever verwijst naar het liberalisme en het socialisme als kinderen van de Verlichting dan is dat correct. Even correct is het echter om vast te stellen dat zijn eigen ideologie tot op vandaag op ramkoers ligt met de centrale waarden van ‘de Verlichting’. De Wever spreekt nog altijd als een ware Burke-adept. Er was dus inherent niets gematigd of zachter aan zijn inhoud gisteren. Het probleem is dat journalisten vandaag genoegen nemen met een expliciet engagement aan de waarden van de Verlichting en zich de moeite niet getroosten of de bagage hebben om die statements te toetsten aan de politiek ideologische geschiedenis.

 

Reyers Politiek en het gebrek aan kritiek


De Wever is een meester in politieke communicatie, dat wordt door niemand betwist. Hij kent als geen ander de impact en het belang van massamedia in de strijd om de stemmen en de geesten van de burgers. Het is dan ook geen toeval dat hij de studentendebatten links laat liggen terwijl hij wel de tijd vind om als Panda op te draven tijdens de Nacht van de Vlaamse verkiezingssterren. Na het entertainment-publiek was het nu tijd om de ‘meerwaardezoeker’ in te palmen. De Wever was er duidelijk op gebrand om via Canvas zichzelf en zijn partij neer te zetten als gematigd en in lijn met de Verlichting. Er zou, naast enkele oppervlakte fenomenen zoals een Vlaamse vlag in de hand, geen enkele overeenkomst te bespeuren zijn tussen de beide dochterpartijen van de Volksunie. N-VA zo moesten we onthouden, heeft niets te maken met het Vlaams Belang. De woorden van Schiltz, die stelde dat de N-VA besmet was met de erfzonde van het Vlaams nationalisme, moesten we in zijn context zien. De context van een gefrustreerde Schiltz, zo verduidelijkte De Wever al snel.

N-VA, zo moesten we met zijn allen geloven, is een gematigde en Verlichte partij. Het is dan ook geen toeval dat De Wever Sminate mee nam naar de studio’s in plaats van Bracke, Francken of Homans. De aanwezigheid van Sminate diende uiteraard om het centrale punt van De Wever in de verf te zetten: kijk bij ons zijn allochtonen wel welkom. Dat communiceerde Sminate alleen al door haar aanwezigheid. En als ze sprak, moest ze uiteraard ‘de grondstroom’ uitdragen. En dat deed Sminate met verve. Als men bij de transcriptie van dit interview zou weglaten wie er sprak, zou men veel moeite hebben om de citaten van De Wever en Sminate te onderscheiden. Sminate sprak met de woorden van De Wever en ook al was de woordenbrij soms nonsensicaal. De eerste allochtone burgemeester liet alle nodige ordewoorden vallen: ‘rechten én plichten’, ‘iedereen wil de ongecontroleerde migratie stoppen’, ‘de nood om Nederlands te leren’, ‘mijn Marokkaanse vader was perfect geïntegreerd in de Vlaamse cultuur’, …

Het optreden van De Wever en Sminate was geslaagde propaganda, meer nog het was beproefde propaganda. Ongeveer elke zin werd al meermaals uitgesproken in de jaren voordien. En ongeveer alle oneliners zijn inherent problematisch of verdienen op zijn minst een historische en politiek-ideologische context. En net dat ontbrak in het programma. De Wever geraakte met alle oneliners weg omdat ze aannemelijk en intelligent klonken, niet omdat ze intelligent zijn. Reyers Politiek fungeerde zo als een platform om 50 minutenlang kritiekloos propaganda de ether in te sturen. Dat is niet alleen de verdienste van De Wever en zijn sidekick, het is ook de verantwoordelijkheid van de journalist.

Van Gils laat zich met wat nietszeggende oneliners en ingestudeerde frases inpakken. Nochtans is het niet zo moeilijk om De Wever het vuur aan de schenen te leggen. Wat bedoelt De Wever met de Vlaamse grondstroom? Verwijst hij dan ook, net zoals de voorzitter van de Vlaamse Volksbeweging vorige week in Terzake naar het feit dat de ‘nieuwe Vlaming’ meteen ook Vlaams nationalist moet zijn en dus voor de Vlaamse onafhankelijkheid? En zo ja, zijn al die autochtonen die niet voor een Vlaamse onafhankelijkheid zijn dan geen Vlamingen? Zetten Brusselaars, net zoals ‘de culturele elite’ of de Vlamingen die zich Belg noemen zich dan automatisch buiten de democratie? En waar is die Vlaamse democratie die ‘wij’ vormen? Volstaat het dat een nieuwkomer zegt dat hij Vlaming is? Zo niet, waaraan moet hij dan voldoen om zichzelf te mogen uitroepen als Vlaming? Wat betekent die identiteit concreet? Welke identiteit delen De Wever, Maurice Lippens, Dewinter, Gennez, Mertens en bijvoorbeeld mezelf? Welke partij komt op voor een non-identiteit? En hoe moeten we dat zien een non-identiteit? Hoe rijmt het primaat van de natie en de aanval op het kosmopolitisme met de Verlichting? Is er tijden van superdiversiteit echt iets als ‘De Vlaamse cultuur’ en is dat ooit al empirisch vastgesteld? Zo ja, geef er eens de kenmerken van.

De Wever werd geen enkele keer geïnterpelleerd over zijn statements. Van Gils graaft nooit dieper in het N-VA-discours en laat De Wever de ene na de andere oneliner aan elkaar rijgen zonder dat die oneliners doorprikt worden. Het is bij gratie van dergelijke interviews dat De Wever zich het aura van groot intellectueel kan aanmeten. Onder het laagje intellectueel vernis, komen we echter al snel in de lulkoek terecht.

 

Ico Maly (1978) is doctor in de cultuurwetenschappen. Hij is coördinator van Kif Kif en gastprofessor Politiek en Cultuur aan het Rits. Hij schreef o.a. 'N-VA | Analyse van een politieke ideologie' (EPO, 2012) en 'De beschavingsmachine. Wij en de islam' (EPO, 2009). Samen met Jan Blommaert & Joachim Ben Yakoub schreef hij het boek 'Superdiversiteit en Democratie' (EPO, 2014) .