Een islamtische visie op onderwijs

Welke plaats neemt Islam in de opvoeding van een kind? Hoe bepaalt religie hoe kinderen de wereld begrijpen? Op welke manier kunnen leerkrachten meer inzicht krijgen in de leerprocessen van moslimleerlingen? Op deze en andere vragen tracht onderwijskundige Naïma Lafrarchi een antwoord te bieden in haar boek Maakt religie een verschil?

Het is zeker niet zo dat scholing en intellectuele ontwikkeling vreemd zijn aan de Islam. Integendeel, Islam legt hier net de nadruk op.

 

Welke plaats neemt Islam in de opvoeding van een kind? Hoe bepaalt religie hoe kinderen de wereld begrijpen? Op welke manier kunnen leerkrachten meer inzicht krijgen in de leerprocessen van moslimleerlingen? Op deze en andere vragen tracht onderwijskundige Naïma Lafrarchi een antwoord te bieden in haar boek ‘Maakt religie een verschil?’

Het boek start met een historisch overzicht van het Belgische en Nederlandse migratiebeleid en de erkenning van Islam in België en Nederland. Dit hoofdstuk toont aan hoe de migratie die in oorsprong van tijdelijke aard was (omwille van de bilaterale verdragen met Marokko en Turkije om arbeidskrachten te lokken) maar geleidelijk aan een permanente migratie is geworden. Langzaamaan zette ook het beleid meer in op permanente vestiging.

In 1974 werd islam officieel erkend. Dit betekent dat scholen verplicht zijn om islamlessen te voorzien indien er vraag naar is. Anders gezegd: elk schoolgaand kind in België heeft recht op islamitisch godsdienstonderwijs.

In het tweede deel maken we kennis met de basisprincipes van de Islam: de 5 zuilen, de 6 geloofspijlers, het verschil tussen halal en haram, de ahadith, en islamitische feesten zoals het offerfeest en het suikerfeest. Ook de islamitische rechtsscholen en de oelama komen aan bod. Net zoals bij andere godsdiensten zijn er verschillende soorten gelovigen. Ieder gelooft op zijn of haar manier en volgt de principes naargelang individuele voorkeur en mogelijkheden.

Islam, onderwijs & opvoeding

Uiteraard biedt de islam ook een visie op onderwijs. Onderwijs en opvoeding zijn nauw verbonden in de Islam. Het is immers van belang kinderen aan te leren hoe zij goede moslims kunnen zijn die tegelijkertijd ook een waardevolle bijdrage kunnen leveren aan de maatschappij. We kunnen in de islamitische onderwijsvisie twee grote gehelen onderscheiden: de algemene, verplichte kennis (die je leert hoe je een goede moslimburger kan zijn) en de bijkomende kennis (specifieke kennis gerelateerd aan bepaalde disciplines).

Volgens Lafrarchi is de meest gekende islamitische onderwijskundige zonder twijfel Al-Ghazali. Volgens Al-Ghazali is het ultieme einddoel van onderwijs en opvoeding: gelukkig zijn. Hij legt daarom ook nadruk op het belang van spel en ontspanning in het leerproces. Daarnaast beschouwt Al-Ghazali onderwijs als iets dat mensen zowel moreel, intellectueel, fysiek, sociaal als emotioneel moet vormen.

Kennis van de Islam loopt als een rode draad door al deze domeinen. Het spreekt voor zich dat je niet kan specialiseren in islamitische rechtsleer als je de noodzakelijke competenties in zowel Koran- als ahadith-exegese niet meester bent. Het is dus zeker niet zo dat scholing en intellectuele ontwikkeling vreemd zijn aan de Islam. Integendeel, Islam legt hier net de nadruk op. Moslimouders zijn dan ook veelal op zoek naar onderwijs dat zowel de kennis van de Islam en de bijhorende competenties aanleert als een hoge kwaliteit aan vakkennis kan bieden.

Uit internationaal onderzoek blijkt dat hoewel culturele opvoedingselementen vaak verwateren, het islamitische  referentiekader meestal wel overeind blijft en zelfs een verbindende identiteitselement kan zijn in een globaliserende wereld. Het ‘moslim zijn’ als belangrijkste identity marker. Deze nieuwe generatie zal zich eerder baseren op religie dan op cultuur wat betreft de opvoeding van hun kinderen.

De onderwijspraktijk

Het derde deel legt de focus op de onderwijspraktijk. Aangezien levensbeschouwing een belangrijke plaats inneemt in de identiteitsontwikkeling van jongeren is het aangewezen om levensbeschouwing als leerlijn op te nemen in het curriculum. Aan de hand van interlevensbeschouwelijke comptenties kunnen leerkrachten aan de slag. Ook burgerschapsvorming kan ingezet worden om de sociale cohesie te  versterken en maatschappelijke betrokkenheid te genereren. Samen met de eindtermen dragen ze bij aan het vormen van actieve, betrokken en verantwoordelijke burgers. Idealiter maakt dit geheel van competenties en attitudes integraal deel uit van het onderwijs. Om dit te bewerkstelligen heb je uiteraard ook leraren nodig die bereid zijn de onderwijspraktijk te vernieuwen op basis van de uitdagingen die de wereld en de samenleving bieden.

Levensbeschouwelijke competenties zijn ook voor leerkrachten een meerwaarde. Levensbeschouwelijke  geletterdheid kan een leraar meer inzicht geven in levensbeschouwelijke ontwikkelingsprocessen waardoor zij op hun beurt jongeren kunnen begeleiden in hun identiteitsontwikkeling en in dynamieken die een impact hebben op de manier waarop we omgaan met levensbeschouwelijke diversiteit in de samenleving.

Momenteel is diversiteit nog te veel een apart vak of thema, maar een doeltreffend diversiteitsbeleid vraagt om een integrale aanpak. De instelling als geheel moet doordrongen zijn van het feit dat het levensbeschouwelijke een belangrijke dimensie is in de identiteitsontwikkeling van alle jongeren.

Lerarenopleidingen in Vlaanderen besteden steeds meer aandacht aan diversiteit in het curriculum en binnen het katholieke onderwijs werd recent het begrip ‘katholieke dialoogschool’ geïntroduceerd. Leerkrachten geven aan dat zij nood hebben aan extra competenties wat betreft diversiteit en levensbeschouwing. De interlevens­beschouwelijke competenties, een integraal diversiteitsbeleid en de burgerschapsattitudes kunnen leerkrachten hierbij ondersteunen. Maar ook leergemeenschappen of een lerend netwerk zowel voor studenten als voor leerkrachten zijn  onmisbaar. Daarbij is het dan de bedoeling om ‘safe spaces’ te creëren waar mensen vanuit verschillende invalshoeken op een respectvolle wijze (dit betekent ook écht luisteren naar elkaar en openstaan voor een degelijk zelfonderzoek) in dialoog kunnen gaan met elkaar.

Conclusie

Momenteel is diversiteit nog te veel een apart vak of thema, maar een doeltreffend diversiteitsbeleid vraagt om een integrale aanpak. De instelling als geheel moet doordrongen zijn van het feit dat het levensbeschouwelijke een belangrijke dimensie is in de identiteitsontwikkeling van alle jongeren. Het is enkel door middel van deze integrale aanpak dat men dit als een authentiek diversiteitsbeleid kan beschouwen. Authenticiteit is een absolute voorwaarde om een vertrouwensband op te bouwen met jongeren.

 

**

Naïma Lafrarchi, Maakt religie een verschil? Islamitische pedagogie beter begrijpen, Acco, 2017, 29,5€