Errare humanum est…

In zijn opiniestukken misbruikt Bart De Wever graag wetenschappelijke bevindingen. In zijn opiniestuk ‘Ho’s en Blingbling’ is het weer prijs. Sociaal geograaf Maarten Loopmans fileert.
Errare humanum est…

De Wever verkondigt in zijn opiniestuk onwaarheden, en verpakt nog te onderzoeken hypothesen als vaststaande feiten. Dat doet hij niet voor de eerste keer.

 

In zijn opiniestukken misbruikt Bart De Wever graag wetenschappelijke bevindingen. Dit wekt ergernis op in de academische wereld, zoals recent nog bij collega Lieven De Cauter. In zijn opiniestuk ‘Ho’s en Blingbling’ is het weer prijs. Op de dag dat Yves Desmet, hoofdredacteur van De Morgen, veroordeeld wordt voor slecht bronnenonderzoek in een opiniestuk met fouten, publiceert De Standaard een stuk vol leugens en halve waarheden dat het wetenschappelijk bedrijf in een slecht daglicht stelt.

Zo schrijft hij over Jerome Nriagu, die in 1983 een artikel en boek publiceerde over de rol van loodvergiftiging bij de ondergang van het Romeinse rijk. Volgens Bart De Wever werd Nriagu om zijn ideeën met de grond gelijk gemaakt door de academische goegemeente en besliste hij om niet meer over het thema te werken. In werkelijkheid wordt zijn artikel regelmatig geciteerd (niet minder dan 119 keer) en wordt Nriagu in 1985 door een collega zelfs vernoemd als “the world's leading authority on lead poisoning in antiquity” (Lewis, 1985). Tot op heden blijft Nriagu een zeer gewaardeerd en met prijzen overladen onderzoeker op het gebied van vervuiling door zware metalen en gezondheid. Een feit dat gemakkelijk na te trekken valt op de website van zijn werkgever, de University of Michigan.

Wel is het zo dat er fundamentele kritiek is gekomen op de bronnen en methoden van Nriagu’s onderzoek uit 1983. Nriagu recycleerde vooral gegevens uit eerder onderzoek en trok daaruit overhaast conclusies. Hij was te slordig, met andere woorden. Een van de critici formuleert het zo: ‘Nriagu’s misuse of archaeological evidence, literary evidence and conceptual frameworks seriously compromises his position’ (Philips, 1984, p. 29). Zijn hypothese over de val van het Romeinse Rijk was niet bijster origineel, zodat je mocht verwachten dat hij minstens met goede nieuwe data of methoden voor de proppen zou zijn gekomen.

Maar dat collega’s zijn hypothese ‘te gek voor woorden’ vonden, is niet correct. Zijn hypothese werd wel degelijk, zoals dat in wetenschap hoort, au serieux genomen, wat betekent dat de wetenschappelijke gemeenschap samen met hem op zoek is getogen naar bewijzen en/of tegenbewijzen. Die zoektocht is nog lang niet afgelopen, waardoor een zekere uitspraak over de hypothese niet mogelijk is: ‘Despite new theories formulated since 1983, current archeological evidence does not match the claims of widespread use of leaden vessels made by historical accounts. Although historical sources are consistent, more substantive archeological evidence is needed before convincing arguments can be made in favor of the role of lead poisoning in the downfall of the Roman Empire.’ (Reddy & Braun, 2010, p. 1052).

Wetenschappers kunnen leven met deze onzekerheden, politici blijkbaar niet. En dus overdrijft Bart de Wever ook graag wanneer hij het onderzoek van Utrechtse sociologen naar het verband tussen muziekvoorkeur en kleine criminaliteit voor zijn politieke kar tracht te spannen.

Het Utrechtse onderzoek waarvan sprake stelt dat muziekvoorkeur op de leeftijd van 12 relatief goed grensoverschrijdend gedrag op de leeftijd van 16 voorspelt. Vooral voorkeuren voor rock, metal, punk, en techno op 12 correleren sterk met delinquent gedrag op 16. In mindere mate geldt dit ook voor trance, R&B en hiphop (al is voor die laatste 2 de significantie -dus betrouwbaarheid van de voorspelling- lager). De Wever doet echter net alsof het vooral een voorkeur voor R&B en hiphop is die grensoverschrijdend gedrag voorspelt.

Daarnaast suggereren de onderzoekers mogelijke, maar geen definitieve verklaringen voor het verband. Dat heet 'veronderstellingen'. Mogelijk is muziekkeuze al op jongere leeftijd een uiting van een grensoverschrijdende persoonlijkheid die in de puberteit ook tot delinquentie leidt. Mogelijk kom je via muziek bij 'slechte vrienden' terecht die je beïnvloeden. En misschien geeft bepaalde muziek kinderen via tekst en beeld ook rechtstreeks inspiratie (vaak de Vlaamse Leeuw beluisteren zou bv. aggressief gedrag kunnen aanwakkeren). Misschien ook niet. De onderzoekers zeggen zelf voorzichtig dat dit hypothesen zijn en dat 'future research should investigate in detail the exact set of mechanisms through which music preferences influence problem behavior' (ter Bogt et al., 2013, p. 8). De Wever maakt daarvan 'het is een proces van socialisatie binnen de vriendenkring en culturalisatie met de levensstijl die dergelijke muziek vooropstelt.'

De Wever verkondigt in zijn opiniestuk onwaarheden, en verpakt nog te onderzoeken hypothesen als vaststaande feiten. Dat doet hij niet voor de eerste keer. Errare humanum est, sed perseverare diabolicum. Des te meer omdat deze beweringen gemakkelijk te weerleggen zijn op basis van een korte zoektocht op het internet.
De Wever suggereert echter ook dat het debat tussen wetenschappers vooral door vooroordelen is gedreven. Daarmee berokkent hij het fragiele imago van academici heel wat schade.

Ondertussen zwijgt hij wel als vermoord over een aantal pertinente feitelijke vragen die de Vooruitgroep, een wetenschappelijke denktank, hem recent in De Morgen stelde. Vragen die met politiek, zijn eigen core-business, te maken hebben. Waarom?

Maarten Loopmans is docent sociale geografie aan de KULeuven.

Referenties
ter Bogt, T. F., Keijsers, L., & Meeus, W. H. (2013). Early Adolescent Music Preferences and Minor Delinquency. Pediatrics. http://pediatrics.aappublications.org/content/early/2013/01/02/peds.201…
Reddy, A., & Braun, C. L. (2010). Lead and the Romans. Journal of Chemical Education, 87(10), 1052-1055.
Phillips, C. R. (1984). Old Wine in Old Lead Bottles: Nriagu on the Fall of Rome. The Classical World, 78(1), 29-33.
Lewis, J. (1985). Lead poisoning: a historical perspective. EPA J., 11, 15.